Door: Dominique.

Als je het mij vraagt is Beltrum de ultieme survivalrun. De run der runs. Een geweldige organisatie, rijke geschiedenis en de eerste run van elk nieuwe jaar. Beter dan een Nieuwjaarsduik en aan ijskoud water geen gebrek. Als je in Beltrum een survivalrun loopt, krijg je wat mij betreft een vrijbrief voor al je goede voornemens.

Sinds oktober train ik bij RUIG. En man-man-man, wat ben ik blij dat deze vereniging in Amsterdam het daglicht heeft gezien. Na Boerakker, Groningen, FitZeist en de ‘Rusty Monkeys’ had ik al enige ervaring met de sport, wat zich vertaalt naar sporadische trainingsperiodes met veel pieken en dalen. Op dit moment beleef ik een stijgende lijn, waardoor ik een weddenschap met mijn vader aanging: de halve run van Beltrum uitlopen met bandje. Halve? Maak daar maar rustig tweederde van. Veertien verdomde kilometers.

Van de zenuwen sliep ik een paar dagen voor de run al niet zo goed. Naast weinig slaap bereid ik me voor door een flink bord pasta te eten en één glas rode wijn te drinken. Op de dag zelf heb ik een minder gewenste gewoonte, namelijk om iets te vergeten. Uit ervaring met dit soort ‘calamiteiten’ zorg ik voor een halfuur extra speling, en deze zondag had ik inderdaad mijn thermoshirt niet ingepakt. Gelukkig kon ik bij de grote tent nog gauw eentje kopen. Snel warm lopen en richting de start, waar ik over het hek nog even een selfie maakte met een groepje RUIG atleten. Zij moesten later starten en ik nam me voor om ze zo lang mogelijk achter me te houden.

Pre-run selfie

Zodra het startsignaal klinkt laat ik alle spanning achter me. De run bouwt zich geleidelijk op met een paar korte hindernissen, wat swingovers en apenhangen. Terwijl de kilometers in mijn benen klimmen, vergeet ik elke gedachte die me nog verbindt met het dagelijks leven. Het kajakken gaat vlot, ik blijf droog maar moet daarna alsnog tot aan mijn middel in het water naar de overkant. Flauw, maar dit is niet voor niets de ‘strijd tegen de elementen’. Zonder mijn tenen te voelen ploeg ik door de blubberige akkers van de Achterhoek. Als ik in de verte de beroemde ‘Bok’ zie, hoog boven de rivier, voel ik mijn hart weer een tikje sneller slaan. Maar liefst drie keer mogen we eroverheen en onderdoor. Als Beltrum de run der runs is, dan is dit gevaarte de hindernis der hindernissen. Dat bewijst ook het aantal ‘aapjeskijkers’ op de brug. Ik focus op de wirwar aan touwen terwijl ik mijn best doe om niet naar beneden te kijken.

Dé Bok

Zo gaan de eerste zeven kilometer verrassend lekker. Ik voel nog geen kou (het nieuwe thermoshirt is een echte aanwinst) maar het slootje springen ben ik nu wel beu. In het bos kom ik Ruig-lid Paul tegen die mij inhaalt na zijn extra lus van de lange afstand. Volgens mij liep hij een groepsrun, maar Bastiaan en Carlos ontbreken. De één blijkt al een halfuur vooruit te zijn gegaan, de ander is ergens blijven steken. Tot zo ver de teamspirit, maar op de lange afstand is het wel verstandig om je eigen tempo aan te houden. Bij de boomstam-swingover, waar ik stomweg een stam heb gekozen zonder begeleidend touwtje, verdwijnt Paul weer uit mijn zicht.

Hier voel ik dat het koud begint te worden en ga toch iets sneller lopen. Of misschien ga ik niet sneller, maar lijkt het zo omdat rennen steeds meer moeite kost. Langzaam raak ik in een bekende roes en zonder besef van tijd weet ik dat de laatste hindernissen eraan komen. Ik beeld me alvast in dat ik me straks, inclusief bandje, in de hottub met Bio-tex kan laten zakken. Meteen roep ik mezelf intern tot de orde, want we zijn er nog lang niet, ook al zie ik de kerktoren van het dorp al boven de bomen uitsteken.

Inderdaad, ik ben er nog lang niet. na een Tarzanzwaai volgt er een gigantisch horizontaal net waar je vanonder uit het midden helemaal rondom moet klimmen. Ik probeer met huppelpasjes op de plaats ergens warmte vandaan te toveren. Niet te lang wachten, dan word ik alleen maar kouder. Ik ga ervoor, maar word verrast door de knoert van een boomstam waar je nog omheen moet klimmen om aan de bovenkant te komen. Ik kan net mijn arm eromheen slaan, maar terwijl ik het touw grijp begint die arm al te trillen van uitputting. Mijn linkerbeen slaat om de stam, een paniekerige kreet ontsnapt door mijn tanden die ik stijf op elkaar bijt en ik druk met een soort woestige uithaal mijn elleboog door de touwen, trek aan, en rol met een zucht van opluchting op het net. Ik was er bijna geweest. Als een half verdronken schaap werk ik me naar de andere kant van deze hindernis XL. Met mijn laatste restje armkracht klim ik terug naar het touw, via de zijkant van het net.

Even mijn handen warmen bij de vuurkorf. Ik stel me heel even voor dat mijn bandje in de vlammen opgaat. Tijd om weer op te stappen dus. Ik kies een mooi dun balkje, hak deze verderop doormidden en slinger – eigenlijk vrij op mijn gemak – door het laantje met een variatie aan swingovers. Daar achter doemt de eindhindernis op, te midden van roepende toeschouwers en opzwepende muziek, maar ik lijk even niets te horen. Ik ben in mijn eigen wereld, als Mario klop ik aan bij het kasteel van de eindbaas. De poort is een soort pakladder van houten klompen, waar ik mijn focus verlies en deze opnieuw moet doen. Met te weinig grip in mijn handen glij ik twee keer uit het allerlaatste touw terwijl ik alleen nog maar een willekeurig lichaamsdeel over de hoge balk hoef te gooien. Dit is mijn breekpunt, natuurlijk vastgelegd door doorgewinterde survivalfotograaf Bennie Slagers.

Laatste meters

Nog een keer. Ik schud mezelf door elkaar, loop rondjes lang de zijlijn en probeer mijn tranen te bedwingen. Mijn vader staat achter het hek, hij hoeft niets te zeggen. Ik weet wat hij denkt en hij ziet precies wat zich in mijn hoofd afspeelt. Hij wrijft even over mijn onderarmen terwijl ik naar de andere lopers kijk, die zich door de laatste touwen heen werken.

Niet te lang stilstaan, de vrieskou wint steeds meer terrein. Ik stap terug op de balk en voel een soort oerkracht naar boven komen terwijl ik het eerste touw met twee handen vastpak. Ik spring erin en zwaai mezelf bam-bam-bam-bam-bam door naar het laatste touw, gooi mijn oksel over de balk, grijp het net en trek mijn bovenlichaam naar voren. Dan ook maar gelijk door, over het verticale net. Mijn vader roept iets als ik over de hoogste balk heen schuif. Ik stop, kijk naar beneden en zie hem grijnzen. Ik grijns als een debiel terug. Een laatste koprol naar beneden, en met één klap op de bel zijn drie uur en dertien minuten verleden tijd. Dan toch een paar tranen van ontlading. Je kan altijd meer dan je denkt. Survivalrun is misschien wel de sport der sporten.

Grijnzend als een debiel over het laatste net!